7.3 Uitdagingen en onderzoeksvragen

In een recent artikel beschrijven Van Bueren en Klievink (2017) een vijftal institutionele uitdagingen: 1) een versnipperende besluitvormingsstructuur (als gevolg van decentralisatie en deregulering); 2) de toenemende dynamiek binnen besluitvorming (waarbij instituties transformeren en afbreken), 3) de opkomst van de participatiemaatschappij; 4) de afkalvende rol van kennis in beleidsprocessen (gepaard met een verschuiving naar data-driven methodiek); en ten slotte 5) de uitdijende beleidsdiscussies.

Terwijl deze uitdagingen – veelal gevoed door maatschappelijke transities en technische innovaties – zich in een rap tempo opvolgen, is institutionele verandering vaak inherent traag. Er schuilt daarom een constant gevaar dat de bestaande instituties niet meer aansluiten op de nieuwe werkelijkheid of onvoldoende ruimte bieden voor transities en innovatie. Tegelijk kunnen er ook institutionele leegtes (voids) ontstaan, waarbij er geen passend institutioneel kader is om het vraagstuk in kwestie te adresseren en op te lossen (Pelzer et al., 2019). Innovatieve bedrijven zoals Uber en Airbnb maken vaak gebruik van zulke leemten om nieuwe technologie en businessmodellen te lanceren. Zij ontwrichten of disrupten daarmee instituties enerzijds, maar ontlokken ook een reflexief proces wat kan leiden tot nieuwe instituties. In andere gevallen kan er juist sprake zijn van institutionele drukte, een vraagstuk kan dan vanuit meerdere regelkaders worden geadresseerd. De vraag is dan welk kader wordt gehanteerd en onder welke omstandigheden er een nieuw kader kan ontstaan.

Als gevolg van deze constante uitdagingen moeten wij kijken naar nieuwe manieren en methoden van institutionele verandering. Dit kan door doelbewuste interventies, maar gebeurt ook vaak door processen van emergentie, evolutie, en serendipiteit. In de realiteit is het vooral een combinatie van bewust en onbewust handelen. Het is de uitdaging voor beleidsmakers hoe sturing te geven aan institutionele verandering onder dynamische, complexe, en onzekere omstandigheden. Hoewel verschillende oplossingen zich voordoen, schuilt in iedere een schijnbaar dilemma. Bijvoorbeeld, hoe om te gaan met institutionele inertie versus hoogdynamische verandering? Instituties versoepelen en laten meebewegen kan een uitkomst bieden, maar tegelijk kan dit ook mechanismen van institutionele stabiliteit ondermijnen (zoals de grondwet). Transformerende en snelle verandering kan een effectief middel zijn om institutionele leegtes te dichten, maar leidt vaak onherroepelijk tot fricties met bestaande institutionele structuren.

Deze dilemma’s zijn ook geworteld in de institutionele methodiek. Emergentiemethodiek is vaak beter in staat om de tijdsgebonden en contextafhankelijke variabelen te appreciëren – waar juist nu behoefte aan lijkt te zijn – maar heeft vaak moeite met generaliseren en extrapoleren. De ontwerpaanpak biedt concrete oplossingen, maar omdat institutionele verandering zo alomvattend is kan het beperkt iets bijdragen. Er bestaat dus geen pasklaar institutioneel recept. De grootste uitdaging is uiteindelijk daarom misschien wel het zoeken naar balans en integratie: hoe kunnen emergentie- en ontwerpmethodiek van institutionele verandering samenwerken om transities te ondersteunen en vooral niet in de weg te zitten?

Onderzoeksvragen De bovenbeschreven uitdagingen roepen nieuwe onderzoeksvragen op. Een kleine greep uit deze vragen zijn:

  • Hoe kunnen we missiegedreven innovatiebeleid vormgeven zodat deze zowel effectief is als legitiem voor betrokkenen?

  • Wat is de rol van nieuwe organisatievormen in het mobiliseren van middelen, inzet, en kennis omtrent maatschappelijke problemen en mogelijke innovatieve oplossingen?

  • Wat is de rol van leiderschap bij het tot stand brengen van institutionele verandering, en welke nieuwe vormen van leiderschap zijn daarvoor nodig?

  • Hoe kunnen succesvolle praktijken en instituties overgedragen worden van de ene context (domein, sector, regio, tijd) naar de andere context?

  • Hoe kunnen instituties zich enerzijds aanpassen aan technologische dynamiek en anderzijds hun gewenste sturende werking behouden?

  • Hoe kan een radicaal nieuwe oplossing voor een maatschappelijk probleem steun onder betrokkenen verkrijgen?

  • Hoe kunnen institutionele arrangementen ter bevordering van transities in samenwerking met burgers en belanghebbenden worden ontworpen?

Behoefte aan nieuwe methoden De institutionele omgeving waarbinnen transities plaatsvinden is steeds diverser en dynamischer geworden. Hierbij kunnen nieuwe en experimentele methoden helpen om te leren van institutionele verandering, zoals living labs die nieuwe inzichten verkrijgen in de microprocessen van verandering. Nieuwe methoden kunnen verder bouwen op de eerder genoemde methoden, zoals incrementele verandering, institutional logics en comparatieve methoden. Dit kan leiden tot nieuwe inzichten in de institutionele mechanismen die de effectiviteit en levensduur van transities bepalen. Bijvoorbeeld, wat kan ertoe leiden dat bestaande machtsstructuren, die een belang hebben bij het behoud van de status quo, worden doorbroken? Of begrijpen waarom vele pogingen tot gewenste maatschappelijke verandering stuklopen en slechts enkelen succesvol zijn. Dat betekent dat we ook onderscheid moeten maken tussen aspecten van instituties die veranderbaar en onderhandelbaar zijn, onder welke condities, hoe, en door wie? Een belangrijk aspect daarin is de tijdsfactor, wat vraagt om methoden die verder gaan dan een momentopname en de mogelijkheid bieden om langere tijd te observeren en monitoren. Tegelijk kunnen historische inzichten helpen door inzicht te geven in hoe actuele maatschappelijke vraagstukken in het verleden zijn opgelost. Innovatie is immers iets van alle tijden.

Daarnaast zijn er binnen de ontwerpmethodiek van institutionele verandering nog vele stappen te maken die kunnen zorgen voor een betere aansluiting op transities. Een van de mogelijkheden daartoe zijn technology assessment en participatieve monitoring, waarbij burgers of andere belanghebbenden worden betrokken bij het monitoren van de effecten van interventies. Hierbij horen ook nieuwe methoden die specifiek zijn gericht op netwerkbestuur en die samenwerking tussen verschillende actoren en sectoren kunnen bevorderen. Het kan zorgen voor een toename van vertrouwen tussen partijen en uiteindelijk meer steun voor innovaties. Vanuit de overheid zijn er recentelijk verschillende initiatieven ontstaan, zoals de nieuwe Omgevingswet of de besproken Right to Challenge, wat een rijke voedingsbodem geeft om nieuwe inzichten en methodiek te ontwikkelen.

Tot slot is er grote behoefte in methoden die inzichten van emergentie- en ontwerpmethodiek kunnen integreren. Hoewel er voor beiden de afgelopen drie decennia veelbelovende stappen zijn gemaakt, staan deze vaak los van elkaar. Daarnaast is institutionele methodiek verspreid over verschillende disciplines als economie, politicologie, en sociologie. Ook hier is integratie gewenst. De energietransitie is een goed voorbeeld van het feit dat veel oplossingen niet meer vanuit één discipline kunnen worden benaderd. Vooralsnog is er een veelheid aan analysemethoden, maar is het veld van het bewust ontwikkelen van een stelselmatig raamwerk dun gezaaid.